Over Michaela

Toen ik als meisje van 6 jaar mijn eerste forehand leerde slaan op het gemalen beton, had ik nooit kunnen weten op welke manier ik vandaag, maandag 8 maart 2021, deze oh zo mooie sport, genaamd ‘tennis’ zou beleven. 

Zo jong ontdekte ik al snel de magie van de sport. Trainen, conditie, techniek, maar vooral ook tactiek. Alle mentale dilemma’s en drempels die je tijdens een wedstrijd ondervindt. Zaken die weer invloed hebben, of je het wilt of niet wilt, op je fysieke uitvoering. En natuurlijk na de wedstrijd de onvermijdelijke bijbehorende emoties. Het verdriet van een nederlaag of de onvergetelijke vreugde van een gewonnen finale. Waarna natuurlijk altijd een sociaal moment volgde op het terras van de club. De ‘derde helft’. Sociaal samenzijn, waarbij alle strijdgevoelens van de wedstrijd snel werd vergeten bij een glas en een hapje.

Naargelang ik ouder werd, merkte ik dat ik handiger werd in het spelletje. En zo kwam ik in de aandacht van de KNLTB. Tot mijn achttiende heb ik deze sport vol overgave gespeeld. Kringtrainingen maakte me beter, waarbij vooral mijn forehand, zich ontpopte als mijn ‘wapen’. Een wapen waar ik tot vandaag de dag nog steeds veel plezier aan beleef. Wanneer goed uitgevoerd met voldoende spin, dan is het aan de overkant van de baan, nauwelijks mogelijk veel kwaliteit in het spel te leggen, waardoor ik veel initiatief kan houden tijdens het spel. 

Rond mijn achttiende of negentiende kwam ik terecht bij een spreekwoordelijke t-splitsing. Doorgaan met intensief trainen en wedstrijden spelen, of gaan werken en volwassen worden. Zelf een huisje, een relatie een hond, een tuintje, je kent het wel. De basale zaken van het leven. Eerlijk is eerlijk, hoe mooi ik tennis op dat moment ook vond, ik had niet het gevoel, dat ik door zou breken tot de absolute top. Dat is sowieso in deze sport maar voor enkelingen weggelegd. Dus het werd het laatste. Zo kwam ik hier terecht op Schaluinen. Mijn tennisschoenen en racket kwamen voor jaren in een stoffige kast terecht. 

Ongeveer vijftien jaar later werkte en woonde ik in Almere. We waren op een rust-zon-vakantie.  Heel romantisch vroeg mijn vriend Dennis mij daar ten huwelijk. Al duikend onder water. Samen genietend van de koele golven van de Turkse Riviera, werd ik voor het eerst geconfronteerd met een steekje in mijn knie. Ik besteedde er toen nog niet al te veel aandacht aan. Later bleek dit een voorteken te zijn, van een nieuwe fase in mijn leven, waar ik toen de impact gelukkig nog niet van kon overzien.

Weer thuis gekomen volgde een periode van angst en onzekerheid. Het ‘steekje’ groeide uit, van ‘onschuldig’ naar ondragelijk. Dagelijkse onevenredige pijnen zorgden er voor dat ik compleet niet meer kon functioneren. De enige manier waarop ik nog een moment van draaglijkheid kon beleven, was als ik op mijn zij in een heet bad ging liggen. Niemand wist wat ik had. Hoe vaak en hoe lang ze ook naar mijn knie keken, er was niets mis mee. Mijn vriend en ik reisden stad en land af, in de hoop maar een specialist te vinden die kon zeggen wat ik had. Ik was radeloos. De periode duurde bijna een jaar en ik kreeg het gevoel dat er geen normaal leven meer voor mij was weggelegd. Als voorbeeld, een film kijken op de bank was niet vol te houden. Ik was bijna tweeëndertig jaar oud en ongewild ging ik vaker denken aan mijn vader. Die was overleden aan kanker toen ik zes was. Hij werd óók rond zijn tweeëndertigste ziek. Ongewild was dit door mijn leven heen een leeftijd geworden met een negatief randje. Mijn negatieve jonge ervaringen daarmee, maakten ook dat ziekenhuizen, een traumatisch effect hadden op mij. 

Een goede vriend van Dennis, die werkte op een Intensive Care. Hij was het die zei: ”Ik denk dat het iets is met Micha’s rug. Laat daar eens naar kijken.” Een zoveelste bezoekje met een smeekbede aan de huisarts zorgde er voor dat ik op een zaterdagmiddag tijdens lunchtijd, ‘even’ tussendoor mocht in het Flevoziekenhuis van Almere. Zelf daar voor de zekerheid nog een keertje uitgelegd, dat ze níet naar m’n knie moesten kijken, maar juist mijn rúg. “Ja ja” klonk het antwoord, “komt goed mevrouw”. Het was na de scan dat door de dienstdoende assistent van de MRI kamer, enigszins in paniek werd geroepen: “mevrouw, u mag absoluut niet opstaan, blijft u liggen, ik laat artsen van huis komen, die dit moeten zien”. Wat deze assistent had ontdekt was een enorme tumor in mijn rugwervel L3. 

Hoe gek het ook klinkt, ik was opgelucht. Nee natuurlijk niet vanwege de tumor, maar vanwege het simpele feit dat er eindelijk was ontdekt wat ik had. Het leven was voor mij zo langzamerhand ondragelijk geworden en nu kwam er zicht op een ‘uitgang’ van al deze ellende. Er volgde een lange periode van onzekerheid en ziekenhuis. Eerst Flevoland en later Utrecht. Ook daar werd mijn strijdvaardigheid vaker dan eens op de proef gesteld. Wanneer een neuroloog bij je bed staat en zegt: “mevrouw gaat u maar van het ergste uit” dan gaat dat nu eenmaal niet in de koude kleren zitten. De trouwplannen waren vanzelfsprekend nu wel echt voor onbepaalde tijd op de lange baan.

Na een dikke maand magnetronmaaltijden en appelmoes-toetjes, kwam het grote moment. Ik zou geopereerd worden. De professor had bedacht dat de hele tumor er uit moest. Het was weliswaar een goedaardige tumor, maar op een ‘kwaadaardige plek’, zoals hij het stelde. Bestralen van goedaardige tumoren, zou kunnen zorgen voor kans op kwaadaardige ‘uitzaaiingen’ in de longen, had het verleden ze geleerd. Daarnaast had de tumor er voor gezorgd dat het bot van mijn wervel broos was geworden. De hele wervel moest er uit en een grote stalen constructie zou er voor terug komen. Op dat moment vond ik alles best. Verder leven zoals het was, was totaal geen optie voor mij. 

Tijdens de revalidatie die er op volgde, werd duidelijk dat ik meer schade had opgelopen dan men vooraf had voorzien. Aanvankelijk was ik volledig verlamd vanaf L3. Geen gevoel en geen kracht. Geen functie. Dat was behoorlijk schrikken. Naast mijn bed kwam een takel en ik werd van bed elektrisch in mijn rolstoel gelezen. Ik kwam voor maanden intern in revalidatiecentrum de Hoogstraat in Utrecht. Mij werd verteld dat de eerste drie maanden van mijn revalidatie bepalend zouden zijn voor de rest van mijn leven. Het grootste gedeelte van het mogelijke herstel gebeurt dan. 

De eerste dag van mijn revalidatie was tekenend voor hoe weinig besef ik had hoe het eigenlijk met mij was gesteld. Ik dacht ik ben weg uit het ziekenhuis en nu gaat alles weer goed komen. Men vroeg mij of ik een takel naast mijn bed nodig had voor een transfer naar de rolstoel. Ik zei dapper: “nee hoor dat doe ik zo wel”. Ik moest even wachten tot er twee sterke revalidatieartsen bij kwamen. Dan mocht ik het gaan proberen. Toen ontdekte ik dat ik zo door mijn been zakte. Dat was een behoorlijke klap. Maar na een oprechte huilbui, de neus gesnoten, broek opgehesen,  blik op oneindig en ik ging alles er uit halen wat er in zat. 

Dagen waren lang en intensief. Veel werd overgelaten aan de eigen motivatie. Net als bij gewoon werk, kreeg ik weekroosters, met trainingen. Elke ochtend om half zeven de wekker, als eerste een douche-ruimte bemachtigen als deze nog fris en ongebruikt waren. Maar liever nog plande ik mijn ‘zwembad-oefeningen’ in het zwembad. Want die was altijd lekker warm. Zo kon ik tegelijk de doucheruimten bij de slaapvertrekken vermijden, want bij het zwemmen kon je ook douchen. Een paar keer per week als groep revalidatie training en ergonomie voor de terugkeer naar de maatschappij. Bijvoorbeeld hoe kom je terug in je rolstoel als je er uit bent gevallen, hoe kan je dingen in de keuken bedienen en hoe kom je een bus in. Aan het eind van de dag in de gym spier-trainingen. Dan kwam mijn vriend Dennis al weer en konden we samen in het restaurant het avondeten genieten. 

Het was na het avondeten dat we samen af en toe stiekem de sporthal inslopen, de lichten aan deden en een sportrolstoel pakten. Omdat ik weinig vertrouwen had in de constructie in mijn rug, was een arts met het idee gekomen om te tennissen. Ik zou dan mijn rug ‘vergeten’ omdat ik dat spelletje wel leuk vond. Wanneer we maar konden gingen we de hal in. Dennis gooide ballen aan en ik probeerde klaargezette gekleurde plastic kegels om te slaan. Daarna samen ballen verzamelen en opnieuw. Vaker dan eens wist ik ze te raken en het werd opgemerkt door de sportinstructeurs daar. Zo werd ik al snel vanuit mijn revalidatie in contact gebracht met de rolstoeltennis-sport gebracht. 

Na vijf of zes maanden werd ik ‘vrij gelaten’ zoals ik het gekscherend noemde. Ik had een gedeelte van mijn kracht en gevoel terug in mijn benen. Zodat ik kleine stukjes kon lopen. Meer dan dat zou het alleen nooit worden. Daarvoor was er te veel beschadigd. Maar het kon mij allemaal niet deren. Ik had mijn hoofd bij ‘trouwen met Dennis. Als revalidatiedoel had ik al die maanden gesteld dat ik zelf naar het altaar kon lopen. De dag nadat ik thuis was, zaten we al bij het gemeentehuis te regelen, wanneer we terecht konden. Dat lieten we ons geen tweede keer meer afpakken. 

Maar ook het tennis was terug in mijn leven. En hoe. Ik vertelde iedereen dat ik de beste van de wereld wilde worden. Ik voelde zoveel energie door deze mooi sport. Want als je denkt dat het lopend een uitdaging is, probeer het eens in een rolstoel. Er komen allerlei tactische aspecten bij, die het spelletje wellicht nóg leuker maken. In de avond na het werk gingen Dennis en ik elke dag trainen. Een voormalig topspeelster had me een sportstoel geleend en snel ingeschreven voor een nationaal toernooi. Van daar ging het snel. Ik won in het nationale circuit eigenlijk gelijk van iedereen, en kwam in gesprek met de Nederlandse bondscoach. Hij zei mij dat ik zeker internationaal moest gaan tennissen. Vanaf 2012 begon ik de hele wereld over te reizen en werd mijn vroegere hobby, mijn beroep. Binnen een jaar stond ik in de top tien van de wereld en ik begon langzamerhand te dromen van deelname aan de Paralympics. 

Rio 2016 was mijn eerste target. Echter op het nippertje werd ik voorbij gestreefd op de wereldranglijst door een nieuwe Nederlandse speelster, die nu inmiddels al een tijdje nummer één van de wereld staat. Mijn ranking rond de nummer tien positie was al helemaal niet slecht en ook voldoende voor kwalificatie. Maar NOC-NSF zond nooit meer dan vier dames uit Nederland naar de spelen. En ja, Nederland had nou eenmaal de luxe, vijf goede spelers te hebben. 

Inmiddels was ik gewend om te gaan met tegenslagen. Japan 2020 werd de nieuwe target. Waar sponsoren verdwenen, kwamen er nieuwe voor terug. Ik bleef goed presteren. Met het Daviscup team voor rolstoeltennis dames, werden we wereldkampioen. De sport bleef mij inspireren. Nog één keertje pieken. Om een periode van tien jaar topsport een mooie afsluiting te geven.

Zoals iedereen weet, zijn er maatschappelijk allerlei omstandigheden ontstaan die er voor hebben gezorgd dat Japan 2020 niet door ging. Opnieuw een tegenslag. Ondanks dit, ben en blijf ik nog steeds gemotiveerd om er voor te gaan. Ook mijn nieuwe auto-sponsor Hommel uit Etten-Leur gelooft in mijn reis richting Japan. Vier dagen in de week train ik bij de KNLTB in Amstelveen en hopelijk kan ik daar weer snel twee extra dagen in Bruurs te Baarle Nassau aan toevoegen. Iedere ochtend gaat de wekker om vijf uur en iedere dag train ik voor wat ik waard ben, om dat einddoel te realiseren. Garantie dat het door gaat? Tot aan de deur. Maar als het doorgaat dan sta ik daar. Net als toen ik zes was. Die gele bal laat me dan alles even vergeten wat er is gebeurd en dan geniet ik van dat prachtige gevoel van sporten, zonlicht, emoties, sensatie, nederlagen, maar liever overwinningen en vooral saamhorigheid. Met mijn forehand in de aanslag. 

Volg ons: